FLANDERS' FOOD RADAR

Alles over de meest recente voedselconsumptiepeiling

Recent verscheen de ‘Voedselconsumptiepeiling 2014-2015’. Welke nieuwe inzichten komen hieruit naar voor met betrekking tot voeding en eetgewoonten van de Belg? En zijn hieruit conclusies te trekken voor de volksgezondheid?

De Voedselconsumptiepeiling 2014-2015 heeft als voornaamste doelstelling om de voedselconsumptie, de eetgewoonten en de lichaamsbeweging van de Belgische bevolking tussen de 3 en 64 jaar te beschrijven. Deze peiling werd uitgevoerd in opdracht van de Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid en de Federale Overheidsdienst (FOD) Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu.

Figuur 1: Cover Voedselconsumptiepeiling 2014-2015

De vorige Belgische Voedselconsumptiepeiling dateert van 2004; een actualisatie was dus broodnodig aangezien onze eetgewoonten evolueren doorheen de tijd.

De studie werd georganiseerd, gecofinancierd en uitgevoerd door het Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid (WIV-ISP), en mede gefinancierd door de reeds vermelde FOD en de European Food Safety Authority (EFSA).

In dit artikel worden de belangrijkste conclusies van het werk met betrekking tot de verschillende behandelde onderwerpen samengevat.

Voedingsgewoonten, antropometrie en voedingsbeleid

Naar analogie met 2004 blijkt vier op de vijf Belgen de goede gewoonte te hebben om met regelmaat te ontbijten. Bij kinderen met een leeftijd tussen 3-9 jaar is dit zelf negen op de tien. De leeftijdsgroepen die het ontbijt het vaakst overslaan zijn adolescenten (14-17 jaar) en jongvolwassenen (18-34). Dit laatste is een gewoonte die de gezondheid negatief kan beïnvloeden.

De meeste maaltijden worden thuis gegeten (positieve vaststelling aangezien buitenshuis eten een risicofactor is voor een minder gunstig voedingspatroon). Het middagmaal wordt wel in ongeveer drie op de tien gevallen op school of op het werk genuttigd.

Eén maaltijd per dag samen in familieverband aan tafel eten is een gewoonte voor ongeveer vier op de vijf Belgen (leeftijdscategorie 10-64 jaar). Anderzijds geven amper drie op de tien Belgen aan twee of meer maaltijden per dag samen aan tafel te nuttigen. Dit zijn belangrijke cijfers omdat er in het algemeen positieve effecten worden toegeschreven aan het consumeren van maaltijden in familieverband met betrekking tot voedingsinname en gezondheid.

Het volgen van specifieke diëten of het hebben van welbepaalde voedingsgewoontes komt vaker voor dan tien jaar geleden. Ook het eten van voedingsproducten afkomstig van biologische landbouw is toegenomen: vandaag geeft twee op de drie Belgen aan wel eens biologische producten te consumeren. Binnen het bio-assortiment zitten vooral groenten, fruit en zuivelproducten in de lift. De voornaamste beweegreden voor het kiezen voor bio blijkt het gezonder achten van deze producten te zijn.

Verder voegt slecht 13% van de volwassen bevolking nooit zout toe tijdens het koken of aan tafel. Amper één op de drie Belgen gebruikt gejodeerd zout. In het kader van de te hoge zoutinname en het mild jodiumtekort in België zouden (o.a. vanuit de overheid) meer inspanningen moeten geleverd worden om de bevolking te informeren hieromtrent.

Een aantal vaststellingen voor kinderen tussen 3 en 9 jaar (cruciale periode voor de ontwikkeling van gezonde eetgewoonten) zijn de volgende:

  • Maaltijden worden bijna altijd in familieverband gegeten (positief)
  • De aanwezigheid van televisie is groot tijdens deze maaltijden
  • Het vrij nemen van tussendoortjes (behalve fruit) wordt beperkt door de ouders
  • Vier op de tien kinderen moeten verplicht hun bord leegeten

In de Voedselconsumptiepeiling 2014-2015 werd ook gepeild naar de duur van exclusieve borstvoeding: in België krijgen kinderen gemiddeld 11 weken exclusieve borstvoeding. Aangezien aan borstvoeding voordelen worden toegeschreven met betrekking tot de gezondheid van zowel kinderen als moeders, raadt de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) aan om 6 maanden exclusieve borstvoeding te geven.

Op vlak van antropometrie kon vastgesteld worden dat een groot deel van de Belgische bevolking een te hoge BMI heeft:

  • 29% van de Belgen heeft overgewicht
  • 16% van de Belgen heeft obesitas

Deze percentages blijken bovendien toe te nemen met de leeftijd, en vanaf een leeftijd van 35 jaar lijdt één op drie aan overgewicht en meer dan één op vijf aan obesitas (wat verontrustende cijfers zijn). 50% van de Belgen loopt risico om metabole complicaties te ontwikkelen die geassocieerd zijn aan abdominale obesitas.

Aangaande de houding van de Belg ten opzichte van zijn of haar gewicht komen volgende vaststellingen naar voor:

  • 50% wenst zijn/haar gewicht stabiel te houden
  • 25% wil vermageren
  • 25% maak zich geen zorgen over zijn/haar gewicht

Als we het deel van de bevolking dat lijdt aan overgewicht en obesitas beschouwen, geeft slechts een kleine minderheid, respectievelijk 7% en 9%, aan een energiebeperkt dieet te volgen.

Acties die vereist zijn om deze problematiek aan te pakken kunnen worden samengevat als:

  • Gezonde eetgewoonten bevorderen
  • Nutritionele kwaliteit van levensmiddelen verbeteren
  • Lichaamsbeweging aanmoedigen en een sedentaire levensstijl tegengaan

Met betrekking tot nutritionele beleidsmaatregelen staat de Belgische bevolking positief tegenover maatregelen die gericht zijn op het voorzien van een geïnformeerde keuze (voedseleducatie op school, publieke informatiecampagnes, voedingsreclame gericht op kinderen reguleren), en herformuleringen van de nutritionele samenstelling van levensmiddelen. Het (extra) belasten van ongezonde voedingsmiddelen of -ingrediënten wordt minder goed aanvaard. Subsidies voor fruit en groenten: 75% van de ondervraagden gaat hiermee akkoord.

De Belgische consument staat sceptisch ten aanzien van het gebruik van genetisch gemodificeerde organismen (GGO’s): een merendeel van de bevolking verlangt meer informatie en heldere etikettering van GGO-bevattende producten. Amper één op zeven Belgen beschouwt GGO’s als veilig voor de gezondheid.

Voedselveiligheid

Aangezien ‘voedseltoxi-infecties’ die veroorzaakt worden door de aanwezigheid van microbiologische voedselverwekkers of toxines in onze voeding een belangrijk volksgezondheidsprobleem vormen werden de deelnemers (respondenten) van de meest recente Voedselconsumptiepeiling bevraagd omtrent kennis, houding en gedrag met betrekking tot voedselveiligheid. Denk hierbij aan de houding ten opzichte van de consumptie van voedingsmiddelen na de houdbaarheidsdatum en gewoonten met betrekking tot de bewaring van levensmiddelen, ontdooiingsmethoden, handhygiëne en reinigingsfrequentie van de koelkast.

Zonder in te gaan op de specifieke subthema’s binnen dit onderwerp, tonen de resultaten van deze bevragingen aan dat kennis, houding en gedrag van Belgische consumenten op vlak van voedselveiligheid vatbaar zijn voor verbetering. De blootstelling aan schadelijke stoffen en het verminderen van het aantal voedseltoxi-infecties zouden verminderd kunnen worden indien Belgische burgers beter op de hoogte zouden zijn en meer veilige methoden zouden toepassen. Deze ongewenste voorvallen houden namelijk een aanzienlijke kost in voor de maatschappij.

Om consumenten te motiveren om zich te houden aan voedselveiligheidsaanbevelingen zouden ze (beter) moeten geïnformeerd worden over:

  • De alomtegenwoordigheid van micro-organismen
  • De mogelijke besmettingswegen
  • De voedseltoxi-infecties die zich kunnen voordoen

Lichaamsbeweging en sedentair gedrag

Aangezien voldoende en frequente lichaamsbeweging samen met het aanhouden van een evenwichtig voedingspatroon essentieel zijn voor een goede gezondheid, werd dit ‘bewegingsaspect’ ook bestudeerd binnen de Voedselconsumptiepeiling.

In de lijn van internationale trends stelt het rapport ook een duidelijke afname in lichaamsbeweging en een toename van sedentair gedrag vast in de loop van de kindertijd naar de adolescentie. Het stimuleren van lichaamsbeweging en het op punt stellen van omgevingsfactoren blijven cruciaal om deze negatieve trend aan te pakken: promoten van sportdeelname en de beschikbaarheid van open ruimtes vrijwaren zijn bijvoorbeeld belangrijke aandachtspunten. Schermtijd reduceren blijkt eveneens cruciaal – in het bijzonder bij adolescenten.

Het grootste deel van de Belgische volwassen bevolking blijkt ‘voldoende lichamelijk actief’ te zijn (2,5 uur per week of 21 minuten per dag matig intensieve lichamelijke activiteit). Belangrijk is echter te vermelden dat deze minimumrichtlijn niet voldoende is om de gezondheid positief te beïnvloeden. Een volwassen Belg brengt een groot deel van de dag zittend door; dit moet beperkt worden en langere perioden van sedentair gedrag moeten met regelmaat onderbroken worden – er is met andere woorden ruimte om lichaamsbeweging te stimuleren bij volwassenen (bijvoorbeeld onder de vorm van wandelen).

Deze problematiek van te weinig lichaamsbeweging en te veel sedentair gedrag gaat (helaas) hand in hand met de problematiek van overgewicht en obesitas en zou door beleidsmakers aangepakt moeten worden. Een cruciale periode (voor de start van interventies) is de kleuter- en kindertijd. De noodzaak van een holistische visie is groot: het probleem moet bekeken worden met aandacht voor politieke, economische en socioculturele oorzaken en omgevingsfactoren die leiden tot ongezonde keuzes – een te éénzijdige focus op individuele verantwoordelijkheid zal ontoereikend zijn.

Figuur 2: De actieve voedingsdriehoek van VIGeZ: lichaamsbeweging bevindt zich als belangrijke groep aan de basis van de driehoek, sedentair gedrag is opgenomen in de restgroep (de top van de driehoek) – Bron: VIGeZ

De consumptie van voedingsmiddelen en de inname van voedingsstoffen

Voedingsaanbevelingen gebaseerd op voedingsmiddelen

De resultaten met betrekking tot de (gebruikelijke) consumptie van verschillende levensmiddelen uit de acht voedingsmiddelengroepen, werden vergeleken met de aanbevelingen van de actieve voedingsdriehoek van VIGeZ (zie Figuur 2). Onderstaande in het rapport vermelde conclusies hebben dus steeds betrekking op deze vergelijking.

In het algemeen is de (Belgische) consumptie van eieren, noten en zaden en smeer- en bereidingsvet in overeenstemming met de aanbevelingen.

Van de volgende voedingsmiddelen ligt de consumptie te laag (zou verhoogd moeten worden):

  • Water
  • Brood en vervangproducten (bv. bruin brood en havermout)
  • Aardappelen en vervangproducten (bv. quinoa en volkoren rijst)
  • Vis en plantaardige alternatieven voor vlees (bv. peulvruchten)

Van volgende voedingsmiddelen ligt de consumptie te hoog (zou verlaagd moeten worden):

  • Niet-gesuikerde dranken (bv. light frisdranken en koffie)
  • Kaas
  • Vlees
  • De restgroep (gesuikerde dranken, alcoholische dranken, zoetwaren, etc.)

De evoluties ten opzichte van de vorige Voedselconsumptiepeiling in 2004 zijn:

  • Een gestegen consumptie van water (positief)
  • Een gedaalde consumptie van niet-gesuikerde dranken en smeer- en bereidingsvet (positief)
  • Een gedaalde consumptie van brood en vervangproducten (negatief)

Hoewel er nog steeds nood en ruimte is voor verbetering, valt er uit de resultaten van de Voedselconsumptiepeiling te besluiten dat er beterschap is in de voedingskeuze van de Belgische bevolking (15-64 jaar) ten opzichte van 2004.

Het beleidsadvies kent vele facetten:

  • Vanaf jonge leeftijd bewustwording creëren bij de bevolking is cruciaal (met het oog op een juiste productkeuze en het nastreven van een evenwichtig eetpatroon)
  • Rekening houden met socio-economische verschillen met betrekking tot voedingspatronen is uitermate belangrijk; lageropgeleiden zouden beter moeten worden geïnformeerd over (het belang van) gezonde en evenwichtige voeding
  • De gezonde keuze zou de gemakkelijkste keuze moeten zijn – hiervoor dient er samengewerkt te worden tussen de verschillende (beleids)niveaus

Energie en macronutriënten

De belangrijkste bronnen van energie in ons voedingspatroon zijn granen en graanproducten, vlees en vleesvervangers, en melkproducten en substituten.

Onze voeding bevat in het algemeen te weinig koolhydraten (gemiddelde procentuele bijdrage aan de energie-inname van 44% en slechts 17% van de bevolking voldoet aan de aanbeveling dat 50-55% van onze energie van koolhydraten dient te komen). Belangrijk: ons dieet bevat voornamelijk te weinig ‘gezonde koolhydraten’/polysachariden (ie. voedingsvezels en zetmeel) en te veel mono- en disachariden (suikers). Enerzijds eten we met andere woorden te weinig:

  • Volle graanproducten (volkoren brood/pasta, volle rijst)
  • Aardappelen
  • Peulvruchten
  • Groenten en fruit

Anderzijds is onze consumptie van niet-alcoholische dranken (frisdranken), suiker, cakes en zoete koekjes te hoog.

Bijna alle Belgen hebben een proteïne-inname die boven de gemiddelde behoefte (>10en%/dag) ligt en de maximaal toelaatbare inname (<25en%/dag) niet overschrijdt; de procentuele bijdrage van eiwitten aan de energie-inname is namelijk gemiddeld 15% - wat overeenstemt met de aanbevolen dagelijkse hoeveelheid (ADH). Iets meer dan de helft (52,1%) van de Belgische burgers zou een inname hebben die boven deze ADH ligt

Hoewel het dieet van de Belg nog te veel vetten bevat (procentuele bijdrage aan onze energie-inname is gemiddeld 36%, en 53% van de bevolking overschrijdt de aanbeveling van <35en%/dag), is er blijkbaar een reductie in de consumptie van ‘zichtbare vetten’ (zoals olie en andere vetstoffen) vast te stellen ten opzichte van 2004. Hieruit volgt dat de nieuwe uitdaging komt te liggen op het reduceren van consumptie van ‘onzichtbare vetten’ op bevolkingsniveau (onzichtbare vetten vindt men bijvoorbeeld terug in sauzen, kaas en verwerkte vleesproducten).

Verrijkte voeding en voedingssupplementen

Een groot deel van de Belgische bevolking tussen de 3-64 jaar oud maakt gebruik van verrijkte voeding en voedingssupplementen.

Enkelvoudige vitaminen, multivitaminen en mineralensupplementen zijn de types die het meest worden ingenomen (vitamine D is het meest populair). Kinderen en volwassen vrouwen zouden het vaakst gebruikmaken van voedingssupplementen. In de Voedselconsumptiepeiling gaf 38% van de bevolking (3-64 jaar) aan een voedingssupplement te hebben gebruikt tijdens het voorbije jaar.

Wat verrijkte voedingsmiddelen betreft zijn kinderen en adolescenten de grootste verbruikers. Verrijkte voedingsmiddelen die het meest geconsumeerd worden zijn ontbijtgranen, margarines en melksubstituten (vnl. sojadrinks).

Er is een bestaand (volksgezondheids)risico op overmatige inname van bepaalde vitaminen en mineralen (met name door veelvuldig en gecombineerd gebruik van supplementen en verrijkte voeding) – zeker bij kinderen dient men hier de nodige aandacht aan te schenken.

Micronutriënten

Er worden in België nog veel tekorten vastgesteld met betrekking tot de inname van micronutriënten bij personen tussen 3-64 jaar oud. Een groot deel van de bevolking blijkt niet aan de voedingsaanbevelingen te voldoen wat betreft de micronutriënten:

  • Vitamine B1
  • Vitamine B6
  • Foliumzuur
  • Vitamine C
  • Vitamine D
  • Calcium

Een onevenwichtig voedingspatroon, met een te hoge consumptie van energierijke voedingsmiddelen en een te lage consumptie van nutriëntrijke levensmiddelen, is hiervoor de voornaamste oorzaak.

Hogere risico’s op een ontoereikende gebruikelijke inname van bepaalde micronutriënten via de voeding kunnen worden toegeschreven aan bepaalde specifieke bevolkingsgroepen:

  • Vrouwen hebben een hoger risico op onvoldoende ijzerinname
  • Adolescenten hebben een hoger risico op onvoldoende inname van calcium en vitamine D
  • Volwassenen hebben een hoger risico op een onvoldoende inname van vitamine B1, vitamine B2, vitamine B6, foliumzuur en vitamine C

Verder blijken volgens de Voedselconsumptiepeiling personen met een lager opleidingsniveau en personen wonende in Wallonië een hoger risico te hebben op onvoldoende inname van micronutriënten: dit wordt in het rapport benoemd als een ‘opleidings- en regionaal verschil’.

Zoals het vorige subparagraafje reeds insinueert, worden er ook overmatige innames van micronutriënten vastgesteld bij de Belgische bevolking:

  • De jodiuminname via de voeding is bij 1-2% van de jonge kinderen tussen 3-5 jaar te hoog
  • De natriuminname is bij ongeveer 50% van de bevolking te hoog (hoger dan 2300 mg Na of 6 g zout per dag) – voornamelijk bij Belgische mannen
  • De inname van vitamine D en vitamine B6 is bij respectievelijk 1% en 1-2% van de bevolking te hoog door het gebruik van voedingssupplementen – voornamelijk bij vrouwen

Hoewel in ons land de gebruikelijke jodiuminname is gestegen en de gebruikelijke natriuminname is gedaald ten opzichte van de cijfers uit de Voedselconsumptiepeiling van 2004, geeft het rapport ten slotte toch het advies om de beleidsmaatregelen die jodiumtekorten (vnl. bij vrouwen) en overmatige natriuminnames (vnl. bij mannen) aanpakken te blijven toepassen.

Verder lezen?

De volledige Voedselconsumptiepeiling 2014-2015 is digitaal beschikbaar via https://fcs.wiv-isp.be/nl/Gedeelde%20%20documenten/NEDERLANDS/Samenvatting%20_NL_Finaal_web.pdf

Bronnen

Nuttige links