FLANDERS' FOOD RADAR

Oliehoudende zaden als (alternatieve) vetbron

Palmolie ligt al een geruime tijd onder vuur. Welke rol spelen andere oliehoudende zaden zoals sojabonen en noten als (alternatieve) plantaardige vetbronnen in de voedingsindustrie?

Het FAO omschrijft oliehoudende gewassen of oliegewassen als zowel eenjarige als meerjarige planten waarvan de zaden, de vruchten of het mesocarp, en de noten aangewend worden voor het produceren van eetbare en industriële oliën. 5% tot 6% van de wereldproductie van oliehoudende gewassen wordt gebruikt als zaden (‘oilseeds’) en in dierenvoeding, terwijl 8% rechtstreeks gebruikt wordt als voeding. De overige 86% wordt verwerkt tot (vloeibare) olie.

Het vetgehalte van oliehoudende gewassen varieert heel sterk: van 10-15% van het gewicht van kokosnoten, tot meer dan 50% van het gewicht bij sesamzaden en palmpitten. Koolhydraatgehaltes (voornamelijk polysachariden) liggen tussen 15% en 30% bij oliehoudende zaden, maar zijn over het algemeen lager voor andere oliehoudende gewassen. Het eiwitgehalte is bijzonder hoog in sojabonen (tot 40%), maar is veel lager in vele andere oliezaden (rond de 15-25%), en ligt over het algemeen nog lager in andere oliehoudende gewassen.

Toegenomen vraag naar plantaardige vetten

De bijzonder sterk toegenomen vraag naar plantaardige oliën (zie figuur 1) heeft in de afgelopen decennia voornamelijk geleid tot een grote groei in de teelt van palmolie.

Palmolie is een essentieel gewas: het kan worden aangewend als kookolie en vormt een basisingrediënt in een bijzonder groot aantal (voedings)producten (van chocolade tot shampoo). Het kan bovendien worden omgezet tot biodiesel. In theorie zou het bovendien ook een ‘milieuvriendelijk’ gewas kunnen zijn: voor de productie van een ton palmolie is er slechts 1/10 tot een kwart van de hoeveelheid land nodig in vergelijking met de productie van eenzelfde hoeveelheid olie afkomstig van zonnebloemen of sojabonen. Echter, het gewas gedijt enkel in laagliggende tropische gebieden – met name in Maleisië en Indonesië, die ongeveer 90% van de wereldproductie voortbrengen. Het vernietigende effect die palmolieteelt teweegbrengt op/in regenwouden en veengronden ontsteld milieuactivisten. Het kappen van bomen en het droogleggen van moerassen maken van Indonesië een van ’s werelds grootste bijdragers aan de klimaatsopwarming. Bovendien is palmolie rijk aan verzadigde vetzuren, waarvan wetenschappelijk is aangetoond dat hoge dagelijkse consumptie aanleiding geeft tot tal van welvaartsziektes zoals overgewicht, hypertensie en coronaire hartziektes.

Vandaar dat het, naast inspanningen die tot doel hebben de productie (teelt) van palmolie duurzamer te maken (zie Roundtable on Sustainable Palm Oil), ook kan lonen om andere oliehoudende gewassen in kaart te brengen die mogelijks als alternatief kunnen gebruikt worden – in het achterhoofd houdende dat het vervangen van palmolie door andere plantaardige oliën zeker geen eenvoudige oplossing is (omwille van de lage prijs en uitstekende processingeigenschappen van palmolie).

Bronnen en toepassingen

De lijst met oliehoudende zaden is eindeloos: soja, canola/koolzaad, kokosnoot, maïs, katoenzaad, zonnebloem, druivenpitten, sesam, saffloer, etc. Bovendien behoren ook ‘noten’ tot deze categorie; denk aan walnootolie, hazelnootolie, amandelolie, pindaolie. Door deze bijzonder grote hoeveelheid bronnen werd ervoor gekozen om in dit artikel een startschot te geven voor de artikelenreeks in het kader van Alternatieve Voedingsbronnen door middel van het toelichten van alvast 3 belangrijke vetbronnen: canola, maïs en zonnebloem.

Canola

Canola (een handelsmerknaam!) is een bepaalde koolzaadvariëteit die in de jaren ’70 werd ontwikkeld door Canadese veredelaars (volgens klassieke plantveredelingstechnieken) met als doel de anti-nutritionele componenten (erucazuur en glucosinolaten) te verwijderen uit ‘gewoon’ koolzaad (Brassica napus L.). Dit om koolzaadolie (meer) geschikt te maken voor zowel menselijke als dierlijke consumptie (erucazuur is namelijk giftig).

De naam ‘Canola’ is een samentrekking van ‘Can’ (wat op de Canadese herkomst wijst) en ‘ola’ wat staat voor ‘oil low acid’. Strikt genomen is canola eigenlijk geen koolzaad; een internationaal erkende definitie maakt namelijk het onderscheid met koolzaad: canola bevat minder dan 2% erucazuur en minder dan 30 µmol glucosinolaten.

Canada is wereldwijd de grootste producent van canola (nagenoeg 4,6 miljoen ha), hoewel deze in principe wordt voorbijgestoken door de gecombineerde productie van alle lidstaten van de Europese Unie samen. Het koolzaadareaal in China overtreft vandaag de dag ook de Canadese canolaproductie. De canolaplant bezit tijdens de bloei de karakteristieke gele bloemetjes (niet te verwarren met de in Vlaanderen vaak geteelde groenbemester gele mosterd) die op hun beurt de zaden voortbrengen die ongeveer 40-43% olie bevatten. Canolazaden hebben een laag gehalte aan verzadigde vetzuren (slechts 7%). Koolzaad- of canolaolie wordt geraffineerd en gebruikt als (neutrale) basisolie in de voedingsindustrie en vormt een belangrijk ingrediënt in onder andere mayonaise, margarine en slaolie.

Maïs

Het graangewas maïs (Zea mays L.) is uiteraard één van de meest geteelde voedingsgewassen ter wereld (een globale productie van ruim 870 miljoen ton). Het wordt zowel rechtstreeks gebruikt voor humane voeding en dierenvoeding, als verwerkt tot voedingsingrediënten (zoals maïszetmeel, lysine en ‘high fructose corn syrup’). Uit maïs komen ook ‘industriële producten’ voort zoals ethanol of polymelkzuur (PLA).

Maïsolie, dat wordt geëxtraheerd uit de maïskiem, heeft een hoog gehalte aan polyonverzadigde vetzuren en een hoge oxidatieve stabiliteit. Door zijn universele eigenschappen en grote hittestabiliteit wordt het aangewend in een breed spectrum van toepassingen. Maïsolie wordt voornamelijk gebruikt als ‘flessenolie’ (algemene keukenolie) die consumenten kunnen gebruiken voor koude bereidingen (salades, vinaigrettes) of om te braden, bakken en frituren. Het wordt ook gebruikt in industriële toepassingen als bakolie voor snacks en als oliecomponent voor babyvoeding. Maïsolie wordt verder gebruikt in de cosmetica, voor de verzorging van brandwonden en als babyolie (omwille van zijn hoge gehalte aan vitamine E).

Aangezien maïsolie een kiemolie is, bevat het meer essentiële bestanddelen dan andere zaadoliën: naast zijn hoge gehalte aan essentiële vetzuren zoals linolzuur en alfa-linoleenzuur (56%), is het bovendien rijk aan vitamine E, fytosterolen en andere micronutriënten zoals co-enzym Q10.

Het is de olieraffinage – het verwijderen van vrije vetzuren en fosfolipiden – die maïsolie zijn gewenste eigenschappen geeft: een uitstekende geschiktheid om in te frituren en een grote resistentie tegen ‘roken’ en verkleuring.

Zonnebloem

Zonnebloemolie is een plantaardige olie die geperst wordt uit de zaden van zonnebloemen (Helianthus annuus). De toepassingsmogelijkheden zijn gelijkaardig aan die van maïsolie: als algemene keukenolie en in industriële toepassingen als bakolie voor snacks. Het wordt bovendien gebruikt in huidzalf en als vogelvoer. Zonnebloemolie bezit een hoog gehalte aan onverzadigde vetzuren (15-26% enkelvoudig onverzadigde vetzuren en 62-70% onverzadigde vetzuren) en nagenoeg de grootste hoeveelheid aan vitamine E van alle plantaardige oliën (55mg per 100g olie). Het heeft bovendien een grote hittestabiliteit wordt in geraffineerde vorm voor uiteenlopende industriële doeleinden gebruikt.

Er kunnen 3 verschillende types zonnebloemolie onderscheiden worden (op basis van vetzuursamenstelling): mid-oleic, (high) linoleic en high oleic. De variatie in vetzuurprofiel wordt sterk beïnvloed door genetische planteigenschappen (rassen) en groeiomstandigheden (klimaat). (Verschillende zonnebloemrassen zijn op basis van standaard veredelingstechnieken ontwikkeld.) De verschillende types variëren voornamelijk in oliezuurgehaltes en hebben elk specifieke eigenschappen (ie. toepassingsmogelijkheden) die beantwoorden aan consumentenbehoeften en vereisten van fabrikanten. De high linoleic zonnebloemolie bevat bijvoorbeeld minstens 69% linolzuur. De high oleic bevat minstens 82% oliezuur.

Olie van eigen kweek?

In België staat vandaag de dag ongeveer 11.000 ha koolzaad, waarvan slechts 5% in Vlaanderen. 70% van de Vlaamse oogst wordt verwerkt tot stookolie voor warmtekrachtkoppelingsinstallaties. De overige 30% wordt gebruikt in de voedingsindustrie of wordt biodiesel.

Koolzaadolie komt in de meeste voedingsproducten echter voor onder geraffineerde vorm, waardoor deze in principe niet te smaken is. Op bijzonder kleine schaal wordt er in Vlaanderen echter ook koolzaadolie uit koude persing verkregen (12 ha op Hof ter Vrijlegem in het Pajottenland); een olie met zo’n geuren en aroma’s dat de auteur van een artikel in De Standaard van afgelopen zomer koolzaadolie bestempeld als de would be ‘olijfolie van het noorden’. Volgens deze bron blijkt ook koudgeperste Belgische lijnzaadolie – dat gewonnen wordt uit het zaad van vlasplanten – aan een opmars bezig in de West-Vlaamse Leiestreek. Meerbepaald onder impuls van de Vandeputte Group, waar overigens 10% van de mondiale lijnzaadproductie wordt bewerkt. Koudgeperste lijnzaalolie van een gewoon olievlasras bevat bovendien meer dan 50% linoleenzuur; weinig andere oliën kunnen dit gehalte aan omega-3-vetzuren evenaren.

Ook Vlaamse walnoten worden – weliswaar op kleine schaal – geperst tot walnootolie. Dit gebeurt onder andere bij Migino, een kleine producent van allerhande plantaardige oliën (dederolie, pompoenpitolie, pistacheolie). Hoewel notenkweek niet bijzonder populair is in België, hebben we toch een concurrentieel voordeel: hoe noordelijker een notelaar staat, hoe beter de smaak van de noten (minder zonlicht heeft een gunstige invloed op de smaak van de vetten).

Tenslotte kan ook hennep gekweekt worden in België voor de olie die de zaden kunnen verschaffen. Hennep kent vele toepassingen: vezelproducten, bouwmaterialen, cosmetica, etc. Steeds meer wordt hennepzaad echter beschouwd als zowel een alternatieve vetbron (met goede vetzuurbalans) als een alternatieve eiwitbron (bron van hoogwaardig eiwit).

Palm-O-Free

Het zoeken naar alternatieve vetbronnen is ook een thema dat aansluit bij het lopende Flanders’ FOOD project Palm-O-Free. De doelstelling van dit project is het ontwikkelen van een meervoudige aanpak voor het identificeren van alternatieven die kunnen worden aangewend om palmolie te vervangen in levensmiddelen. Hierbij wordt vertrokken vanuit de klassieke strategie waarbij oliën en vetten worden gemengd en gemodificeerd (bv. interveresteren). Daarnaast staat een meer fundamentele strategie waarbij structurerende componenten zoals mono- en diacylglycerolen worden toegepast om vloeibare oliën te structureren. Plantaardige oliën afkomstig van andere ‘oilseeds’ die vaak de basis vormen voor of in combinatie worden gebruikt met andere commercieel beschikbare alternatieven (met bijvoorbeeld een verlaagd verzadigd vetgehalte t.o.v. palmolie) spelen uiteraard een centrale rol binnen dit onderzoeksproject.

Artikelenreeks: Alternatieve Voedselbronnen

In het kader van de themagroep ‘Alternatieve Voedselbronnen’ van het platform ‘Duurzaamheid’ zal onze Radar-nieuwsbrief de komende edities – naast een aantal artikels waarin de bestaande kennis en nieuwe evoluties op vlak van insecten (voor humane voeding) zullen worden toegelicht – een reeks artikelen bevatten waar dieper wordt ingegaan op een aantal ‘andere bronnen’. De bedoeling is om bronnen, toepassingsmogelijkheden, eventuele barrières en economisch-maatschappelijke aspecten toe te lichten van o.a. niet-oliehoudende zaden (bv. quinoa), rubisco, heterotrofen (vb. paddestoelen, gisten), en uiteraard bovenstaand reeds deze van oliehoudende zaden.

Bronnen

Nuttige links

Reacties

CAPTCHA
Deze vraag wordt gebruikt om te testen indien u een menselijke bezoeker bent teneinde spam-inzendingen te vermijden.