Evaluatie van ELISA en PCR testen voor allergen detectie in levensmiddelen: een vergelijkende studie voor hazelnoot en soja
Voedselallergie vormt een van de belangrijkste wereldgezondheidsproblemen door zijn toenemende prevalentie en de ernst van de reacties. Detectiemethoden zijn vereist om allergenen correct te kunnen etiketteren in de waaier van levensmiddelen waarin ze voorkomen. Bij deze methoden is het vaak onduidelijk wat gedetecteerd wordt en hoe de resultaten uitgedrukt en/of geïnterpreteerd moeten worden. Daarenboven ontbreken officiële methoden voor allergen detectie en normen voor methode validatie.
In dit onderzoek werden nieuwe (real-time PCR) en bestaande commerciële (ELISA en real-time PCR) methoden voor hazelnoot en soja detectie grondig geëvalueerd. Het non-uniforme gebruik van verschillende standaarden en de eenheid om de allergen concentratie uit te drukken, maakt het moeilijk onderling testen te vergelijken. Toch kan besloten worden dat het resultaat van een analyse sterk afhankelijk is van de gebruikte test. De studie toont aan dat de te detecteren analiet sterk onderhevig is aan voedselverwerking, wat op zijn beurt gevolgen heeft voor de detectie. In onze studie werden nefaste gevolgen voor de gevoeligheid van de detectie vastgesteld, die in de praktijk tot een foute etikettering kunnen leiden wegens het niet detecteren van aanwezige allergenen. Dit vormt een risico voor de allergische patiënt. Deze resultaten wijzen tevens op de gelimiteerde toepasbaarheid van een detectiemethode, waarover vaak weinig informatie beschikbaar is. Ook co-ingrediënten kunnen de resultaten beïnvloeden. In onze experimenten resulteerde kruisreactiviteit met andere levensmiddelen in vals-positieve signalen, terwijl tevens een negatieve impact van de matrix op de gevoeligheid van detectie werd vastgesteld. Dit onderzoek toont de noodzaak aan van internationale harmonisatie m.b.t. allergen detectie. Officiële validatie dient een prioriteit te worden om betrouwbare allergen detectie te garanderen. Dergelijke validatie vereist de ontwikkeling van referentiematerialen voor allergenen en een uniforme manier om analytische resultaten uit te drukken.
Meer Info: celine.platteau@ilvo.vlaanderen.be
Horizontale contaminatie van eieren met Salmonella Enteritidis: mechanismen en controle
Humane salmonellose-gevallen in de Europese Unie werden in 2009 voornamelijk veroorzaakt door Salmonella enterica serovar Enteritidis (S. Enteritidis). Rauwe eieren en eiproducten worden hierbij aangeduid als de voornaamste bronnen voor humane S. Enteritidis gevallen. Vanaf 2012 zullen de conventionele kooisystemen voor leghennen door de EU Richtlijn 1999/74/EC verboden worden. Hoewel initieel verondersteld werd dat dit het risico op bacteriële contaminatie van eieren zou verhogen, blijkt dit volgens recente studies onwaarschijnlijk.
Dit onderzoek richtte zich op de rol van eicomponenten in hun bijdrage aan de antimicrobiële verdediging van het ei en op potentiële behandelingen die mogelijks het risico tot S. Enteritidis contaminatie van het ei reduceren. Verscheidene conclusies konden uit deze studies bekomen worden. Een aantal dooiermembraankenmerken, namelijk de sterkte en de eiwitten met een moleculair gewicht tussen 21,5 en 31 kDa, beïnvloedden het voorkomen van S. Enteritidis penetratie doorheen deze membraan die de voedselrijke inhoud van de dooier beschermt. De rol van de cuticula als eerste barrière bij schaalpenetratie werd bevestigd. Microscheurtjes in de eischaal (niet waarneembaar met de huidige detectie-apparatuur) vormen hoogst waarschijnlijk geen groot risico voor schaalpenetratie. Het wassen van eieren, wat aanleiding geeft tot een verlaagde schaalcontaminatie, bracht geen schade toe aan de cuticula wanneer een commerciële Zweedse wasprocedure werd gebruikt. Het coaten van eieren met chitosan (een antimicrobiële polysaccharide) verhindert schaalpenetratie en behoudt de eikwaliteit langer wanneer een voldoende hoge chitosanconcentratie gebruikt wordt.
Meer Info: saskia.leleu@ilvo.vlaanderen.be
Diversiteit en detectie van microfungi en hun mycotoxines in kuilvoeder
Het fermenteren van grondstoffen zoals maïs is een zeer belangrijke landbouwactiviteit die zorgt voor een langere houdbaarheid van het gewas. Schimmelgroei kan echter optreden wanneer de (zuurstofarme en lage pH) condities noodzakelijk om maïskuilvoeder van een excellente kwaliteit te bekomen, verstoord worden. De aanwezigheid van schimmels leidt niet enkel tot een reductie van de nutritionele waarde van het voeder, maar kan tevens aanleiding geven tot de productie van secundaire metabolieten of mycotoxines. Deze toxines kunnen geproduceerd worden zowel vóór als na de oogst (respectievelijk pre-en post-harvest). Mycotoxines kunnen een amalgaam van zowel uitgesproken als verdoken symptomen veroorzaken en dit op vlak van groei, productie, immuunstatus, vruchtbaarheid, vertering en dergelijke meer. Hierdoor kunnen zij het welzijn en de gezondheid van dieren alsook de dierlijke productie negatief beïnvloeden. Kuilvoeders zijn vaak gecontamineerd met meerdere mycotoxines die elkaars effect mogelijk kunnen versterken (synergetisch effect). De aanwezigheid van schimmels en mycotoxines in kuilvoeders heeft belangrijke economische implicaties te wijten aan bijvoorbeeld verliezen van voederrantsoen, verlaagde dierlijke productie en veterinaire kosten. In bepaalde gevallen zouden sommige van deze toxines of hun metabolieten deels overgedragen kunnen worden naar dierafgeleide producten zoals vlees of melk.
Dit onderzoek richtte zich op de ontwikkeling van een methodologie voor het detecteren, identificeren en kwantificeren van schimmel- en mycotoxinecontaminanten in maïskuilvoeder. Binnen dit kader werd onderzoek gevoerd naar een geschikt isolatie- en tellingsmedium voor dergelijke schimmelcontaminanten. Gezien conventionele technieken vaak tijdrovend en expertise-afhankelijk zijn, werden tevens meer objectieve en genotype-gebaseerde methodes gebruikt voor moleculaire identificatie en karakterisering van de schimmelsoorten in verschillende Belgische kuilvoederstalen. Informatie over de mycotoxineproductie door een schimmelisolaat kan eveneens aangewend worden bij de identificatie van schimmels. Daarom werd in het kader van dit onderzoek een “Ultra High Performance Liquid Chromatography-tandem mass spectrometric (UHPLC-MS/MS)” methode ontwikkeld voor de simultane bepaling van meer dan twintig verschillende mycotoxines uit “Yeast Extract Sucrose” (YES) agar, een groeimedium geschikt voor het induceren van de secundaire metabolietproductie door schimmelisolaten. Tot slot werd een UHPLC-MS/MS methode ontwikkeld en gevalideerd voor de gelijktijdige detectie van 27 mycotoxines en dit voor maïskuilvoeder. Algemeen kan gesteld worden dat het combineren van verschillende technieken beschikbaar voor schimmel-en mycotoxinedetectie, i.e., een multidisciplinaire of polyfasische onderzoeksstrategie, resulteert in meer betrouwbare resultaten die van belang zijn met het oog op het beschermen van dierenwelzijn en -gezondheid.
Meer Info: els.vanpamel@ilvo.vlaanderen.be
Reacties